Geschiedenis

Goutum was oorspronkelijk een terpdorp. De terp is echter rond 1900 geheel afgegraven. Sinds de 14e eeuw stond op de westkant van de terp de Wiarda State. Deze is in 1882 afgebroken en alleen een marmeren gedenkteken met tekst herinnert ter plekke nog aan het monumentale slot, domicilie van resp. de adellijke families Wyarda, Van Eminga en Van Cammingha.

In de jaren-zestig en -zeventig heeft Goutum zich naar vorm en functie revolutionair ontwikkeld. Het boerendorp, dat van oudsher nooit meer dan zo’n driehonderd inwoners telde, werd in rap tempo getransformeerd tot een forensenplaats van ruim zeventienhonderd zielen. En blijkens de nieuwste gemeentelijke “Dorpennota” is het einde van de groei nog niet in zicht: “De toekomstige ontwikkeling van Goutum zal worden afgestemd op de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte van het stadsgewest”. Dat betekent dus voortgezette suburbanisatie, met als herinnering aan het plattelandsverleden nog slechts de naamgeving van de nieuwbouwwijken.

“Nòch is Goutum in fleurich doarp mei in eigen oansjen”, zo schreef de historicus van Ljouwerteradiel. Dat fleurige mag waar zijn, het eigen gezicht heeft wel bijzonder aparte trekken: een losjes bebouwde oude kern, her en der wat lintbebouwing het eerst aan de oostkant van de nogal afgelegen Brédyk en dat opgevuld met een zestal eigentijdse en dus blokvormige wijken met zulke authentieke namen als Haven, De Pôlle, Oer de Feart, De Tilbarten en De Tolve. Zo staat de kerk toch weer enigszins in het midden, op een terp die rond 1900 zo drastisch werd afgegraven, dat naderhand enkele percelen opnieuw moesten worden opgehoogd. Plannen om dit archeologische monument in de oude vorm te herstellen, zijn nooit uitgevoerd. Wel is de nieuwbouw er tot een minimum beperkt, waardoor het groene dorpshart goeddeels intact is gebleven.

Behalve de terp is er de afgelopen eeuw meer waardevols verdwenen. Het begon in 1882 met de afbraak van Wiardastate. Het monumentale slot vormde, volgens een ooggetuige, “met zijn poort, zijn ruim voorplein, zijn bloemtuin, zijn bouwschuur en stalling een deftig en indrukwekkend geheel, door een breede gracht omringd”. Aan de Singel, zoals dit deel van de Buorren tot 1950 heette, ontstond zodoende een groot gat. Dat werd “as teken fan nije, earmoediger tiid”, slechts gedeeltelijk opgevuld door een met behulp van het afbraakmateriaal opgebouwd boerderijtje, al snel Het Slot genoemd. Die moest in het begin van de jaren-zeventig op haar beurt het veld ruimen. Alweer een teken des tijds. Toen werden namelijk de laatste grachten en sloten weerszij de Buorren gedempt en vervangen door meer hedendaagse voetpaden (een proces dat zich ook langs de Wergeaster- en Goutumerdyk voltrok). De iepziekte voltooide enkele jaren later de aftakeling van de eens zo fraaie ieperen Singel. Op het (afgegraven) terrein van de voormalige state liggen nu het dorpshuis Ien en Mien en de Wiardaskoalle. Op een terprestant oostelijk daarvan wordt de herinnering aan het slot bewaard door een kubusvormig, marmeren gedenkteken, honderd jaar na dato door de nazaten opgericht “ter nagedachtenis aan hun voorouders en aan de in 1882 afgebroken Wiarda-State”. De bijbehorende tuin aan de overkant van de weg is bebouwd onder de naam Binnentûn.

Twee jaar voor het slot verdween werd even zuidwestelijk ervan de nieuwe pastorie met koetshuis gebouwd. Een indrukwekkend voorbeeld van de toen gangbare neoclassicistische stijl. In de loop der jaren heeft het pand wel iets van zijn oorspronkelijke karakter verloren – bij een verbouwing in 1935 verdween een deel van het stucwerk aan de voorgevel evenals het balkon boven de voordeur – maar het is toch een van de fraaiste monumenten van Goutum gebleven, ook al benemen forse kastanjes het uitzicht enigszins en zijn de zesruitsvensters onlangs vervangen door groten ramen in kunststof.

Ook uit de vorige eeuw dateren de panden zuidelijk van de kerk, waar de Buorren een scherpe bocht naar links maakt. De nummers 15, 17 en 19 zijn respectievelijk het voormalige schoolmeestershuis met zijn glooiende tuin, een vroegere bakkerswoning die onder een royale schildkap is gebouwd en daardoor wel eens met de pastorie wordt verward, en de kosterij met haar sierlijk gemetselde paardenstalling.

Afgezien van de hierna behandelde objecten is Goutum niet (meer) rijk aan monumentale bouwwerken. Wellicht blijkt te zijner tijd dat de lacunes door de “kapitale” nieuwbouw op acceptabele wijze zijn opgevuld